achtergond_genethica3.png

Vragen vanuit wetenschap en ethiek

Gentech-producten roepen wetenschappelijke en ethische vragen op. Het DNA is onderdeel van een fijn afgestemd netwerk van biochemische reacties, waarvan we het grootste deel nog niet doorzien. Van 99% van het DNA van een plant kennen we de functie niet eens, maar toch knippen en plakken we er blindelings in. Ook kennen we de werkelijke rol van het DNA in het leven niet: de gangbare biologie ziet het DNA als de oorzaak van de verschijnselen van het leven, maar is die visie wel juist?

Het genetisch modificeren van een plant of zelfs maar van een schimmel gaat niet zonder slag of stoot. Het organisme reageert op de modificatie door te proberen deze teniet te doen: een mooi voorbeeld hiervan wordt gegeven in Segers, 2001. Genetisch gemodificeerde planten, dieren en micro-organismen vertonen talloze onbedoelde en ongewenste effecten, maar hiernaar wordt opvallend weinig onderzoek gedaan.

Het gebrek aan inzicht is, kortom, enorm. Desalniettemin ‘werkt’ gentechnologie in bepaalde gevallen: we slagen er af en toe in om een plant of micro-organisme te laten doen wat wij willen – zij het met veel moeite, maar het lukt. Dit is echter gebaseerd op een bepaalde manier van denken (een bepaalde ethiek), die gekenmerkt wordt door een analytische aanpak, een reductionistische en deterministische visie op leven (zie boven), kunstmatige gen-constructen, een focus op de gebruikswaarde van de natuur, eigendomsrechten, grootschalige toepassing en industriële macht. Hoe groot is het draagvlak van een dergelijke ethiek?

Deze wetenschappelijke ethiek heeft praktische consequenties, waaronder risico’s voor mens en milieu. Een aantal hiervan komt naar voren op de pagina Criteria / Prestaties gentech / Standpunten.

Zijn de voordelen van gentechnologie zo groot, dat het verantwoord is om het toe te passen in voedsel en katoen, terwijl deze wetenschappelijke en ethische vragen nog niet beantwoord zijn?

Hoe komen we hier verder mee?