achtergond_genethica3.png

Vragen uit de huidige landbouw en voedselproductie

De moderne landbouw en voedselproductie kennen veel nijpende vragen, waarmee we bijna dagelijks geconfronteerd worden.

Ondanks het wereldwijde voedseloverschot lijdt nog steeds zo’n 12% van de wereldbevolking honger. De oorzaken zijn rampen, oorlogen, corruptie en slecht beleid. 80% van de mensen die honger hebben, woont in landen met genoeg landbouwgrond om de bevolking te voeden. ( FairFood, 2005) Hoe kunnen wij, vanuit respect en gelijkwaardigheid, hen helpen hun eigen mogelijkheden te ontplooien en zichzelf te voeden?

De drang naar steeds hogere gewas-opbrengst heeft geleid tot grote monoculturen van zwakke planten, die de bodem uitputten. Katoen is één van de grootste voorbeelden hiervan. Hoe maken we de akkerbodems weer gezond? En hoe kweken we gezonde planten, die voldoende voedsel opleveren en tegelijk onderdeel van een gezond ecosysteem vormen? De kennis hiervoor is aanwezig, ook in de zogenaamde minder ontwikkelde landen (zie bijvoorbeeld Koechlin, 2001).

Boeren staan aan de basis van onze voedselvoorziening, maar hun bestaanszekerheid wordt op veel plaatsen ondermijnd, zowel in ontwikkelingslanden als in rijke landen. Vrijwel overal gaat hun inkomen achteruit of is het al veel te laag. Van de prijzenoorlogen in onze supermarkten zijn zij het slachtoffer. Hoe bezorgen wij onze boeren weer de economische positie die hun toekomt, met een leefbaar en duurzaam inkomen?

Veevoer-schandalen komen geregeld voor. Er worden veel afvalstoffen in veevoer verwerkt. De veevoer-productiestromen zijn zeer onoverzichtelijk en nauwelijks te controleren. ( Wakker Dier, 2005) Hoe zetten we onze dieren gezond voer voor?

Nederland wordt regelmatig opgeschrikt door epidemieën van veeziekten (gekke koeien ziekte, mond- en klauwzeer, varkenspest, vogelgriep). Waarom hebben deze zo’n catastrofale uitwerking? Zijn onze dieren gezond genoeg, hebben zij wel voldoende weerstand? Hangt het samen met de manier waarop we de dieren houden? Het vele transport van de dieren over grote afstanden wordt in elk geval als een onderdeel van dit probleem gezien. Waarom moeten de dieren altijd naar de hoogste bieder gebracht worden – kunnen zij niet zo dicht mogelijk in de buurt verkocht worden?

Dit is slechts een greep uit de concrete vragen waarmee onze landbouw en voedselproductie worstelen. Een meer abstract, maar niet minder ernstig probleem is dat de consument intussen vervreemdt van zijn voedsel: veel mensen hebben geen idee meer hoe hun voedsel gemaakt wordt ( Ooit zo zout gegeten?, 2001). Ook de boeren zelf vervreemden van hun werk, door de sterke industrialisatie ervan: hun ervaringskennis wordt steeds vaker terzijde geschoven. Zo zijn de meeste boeren niet meer betrokken bij de veredeling en fokkerij ( Verhoog, 2004). Moeten we deze groeiende afstand van de consument en de boer tot de voedselproductie, accepteren als iets wat onvermijdelijk bij vooruitgang hoort? Of kunnen we de vooruitgang ook anders vormgeven?

Geeft gentechnologie op deze brandende vragen antwoord?

Hoe komen we hier verder mee?